ECLI:NL:RVS:2014:1772
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- A. Hammerstein
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering huur- en zorgtoeslag wegens niet-rechtmatig verblijf partner
De Belastingdienst stelde de zorg- en huurtoeslag van appellant over 2010 op nihil en vorderde terugbetaling van voorschotten wegens het niet-rechtmatig verblijf van haar partner na juni 2010. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat de weigering inbreuk maakt op haar recht op gezinsleven en discriminatie inhoudt.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. Deze oordeelde dat de Belastingdienst terecht uitging van de verblijfstitelcode van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, waaruit bleek dat de partner vanaf 28 juni 2010 geen rechtmatig verblijf meer had. Er was geen bewijs dat hij daarna rechtmatig verbleef.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het koppelingsbeginsel in artikel 9 Awir Pro een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het onderscheid en dat de weigering van toeslagen geen schending van het recht op gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) of het discriminatieverbod (artikel 14 EVRM Pro) oplevert. Ook de belangen van het minderjarige kind, zoals beschermd door het IVRK, waren voldoende meegewogen.
Appellant trok haar beroep op dwangsommen in wegens vermeende niet-tijdige beslissingen. De Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; weigering huur- en zorgtoeslag bevestigd wegens niet-rechtmatig verblijf partner.