ECLI:NL:RVS:2015:1305
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid vreemdelingenbewaring wegens ontbreken zicht op uitzetting naar China
De vreemdeling werd op 12 februari 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval de opheffing van de bewaring, met toekenning van schadevergoeding. De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak, terwijl de vreemdeling incidenteel hoger beroep instelde, dat niet-ontvankelijk werd verklaard.
De staatssecretaris voerde aan dat er nog steeds zicht op uitzetting naar China bestaat, onder verwijzing naar diplomatieke contacten en verstrekte laissez passer in 2013. Ook stelde hij dat het actief meewerken van de vreemdeling aan terugkeer onlosmakelijk verbonden is met het zicht op uitzetting.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat sinds november 2013 geen nieuwe laissez passer meer zijn verstrekt en dat diplomatieke inspanningen slechts tot verlenging van een eerder afgegeven laissez passer leidden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt, waardoor de bewaring onrechtmatig is. Het verweer dat de vreemdeling onvoldoende meewerkt faalt omdat de medewerking van de Chinese autoriteiten ontbreekt.
Het hoger beroep van de staatssecretaris werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig is wegens ontbreken van zicht op uitzetting wordt bevestigd.