ECLI:NL:RVS:2016:1111
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek persoonlijke betalingsregeling wegens grove schuld bij terugvordering kinderopvangtoeslag
De zaak betreft het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, waarin haar beroep tegen de afwijzing van een persoonlijke betalingsregeling door de Belastingdienst/Toeslagen ongegrond werd verklaard.
Appellante moest een bedrag aan te veel ontvangen kinderopvangtoeslag over 2009 terugbetalen. De Belastingdienst stelde dat de terugvordering te wijten was aan grove schuld, omdat appellante wijzigingen in het aantal opvanguren niet had doorgegeven, waardoor zij te hoge voorschotten ontving. De rechtbank en de Afdeling oordeelden dat appellante redelijkerwijs had moeten begrijpen dat haar opgave onjuist was en dat haar psychische problemen haar niet vrijwaren van het bijhouden van een deugdelijke administratie.
Omdat de terugvordering aan grove schuld te wijten is, is een persoonlijke betalingsregeling waarbij rekening wordt gehouden met draagkracht niet toegestaan volgens de Uitvoeringsregeling Awir. De Afdeling bevestigt dat de betalingsregeling van 24 maanden met vaste maandelijkse termijnen terecht is vastgesteld en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om een persoonlijke betalingsregeling bevestigd.