ECLI:NL:RVS:2016:1203
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens verjaring dwangsominvordering ketelhuis
Het college van burgemeester en wethouders van Maasdriel legde appellant bij besluit van 16 augustus 2013 een last onder dwangsom op wegens het zonder vergunning bouwen van een ketelhuis op een perceel te Velddriel. De dwangsom bedroeg € 50.000,- en moest binnen een maand na verzending van het besluit worden voldaan. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit werd bij besluit van 10 december 2013 ongegrond verklaard. Vervolgens besloot het college op 22 oktober 2014 tot invordering van de verbeurde dwangsom.
De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit op bezwaar ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de zitting bleek dat het ketelhuis nagenoeg geheel was ontmanteld en niet meer in werking was.
De Afdeling overwoog dat de dwangsom op 11 mei 2014 was verbeurd en dat de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom op grond van artikel 5:35 Awb Pro op 12 mei 2015 was verjaard. Hoewel het college binnen die termijn een invorderingsbeschikking had genomen, was de verjaring niet gestuit omdat het college geen handelingen ter stuiting had verricht. Hierdoor kon de dwangsom niet meer worden ingevorderd en had appellant geen belang meer bij inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens verjaring van de bevoegdheid tot invordering van de dwangsom.