ECLI:NL:RVS:2016:1383
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over bewaring vreemdeling en bevestiging geldigheid bewaring op grond van Opvangrichtlijn
De vreemdeling werd op 11 december 2015 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat haar identiteit en de gegevens van haar asielverzoek vastgesteld moesten worden. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, hief de bewaring op en kende schadevergoeding toe.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de geldigheid van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a en b, van Richtlijn 2013/33/EU (Opvangrichtlijn) in het licht van artikel 6 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Hof bevestigde de geldigheid van deze bepalingen en stelde dat bewaring onder strikte voorwaarden en met respect voor de rechten van de vreemdeling kan worden toegepast.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte bij de belangenafweging de duur van de prejudiciële spoedprocedure en het feit dat het een eerste aanvraag betrof, heeft betrokken. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er was geen grond voor schadevergoeding en geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
De uitspraak bevestigt dat bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000, die de Opvangrichtlijn omzet, een geldige en proportionele maatregel is binnen het gemeenschappelijk asielbeleid van de Europese Unie.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot bewaring is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.