ECLI:NL:RVS:2016:1619
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit niet in behandeling nemen verblijfsvergunning wegens onjuist toetsingskader
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie nam op 7 december 2011 het besluit om de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 25 juni 2015 ongegrond werd verklaard door de staatssecretaris. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de overwegingen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en voerde aan dat de rechtbank ten onrechte het toetsingskader van de brief van 21 februari 2007 had toegepast, terwijl voor aanvragen na 18 maart 2005 het vigerende beleid van 18 maart 2005 geldt. De Raad van State oordeelde dat de brief van 21 februari 2007 slechts als richtsnoer geldt voor aanvragen na die datum en dat de rechtbank de brief niet verder had moeten interpreteren.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, maar vernietigde de uitspraak van de rechtbank niet omdat de staatssecretaris deze niet had bestreden. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €496. De staatssecretaris moet een nieuw besluit op bezwaar nemen rekening houdend met de overwegingen van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de staatssecretaris moet een nieuw besluit op bezwaar nemen met inachtneming van de uitspraak.