ECLI:NL:RVS:2019:1153
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing verblijfsvergunning na toetsing belangen kind en medische situatie
De zaak betreft een hoger beroep tegen het besluit van 7 december 2011 waarbij de minister voor Immigratie en Asiel de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet in behandeling nam. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures vernietigde de rechtbank Den Haag het eerdere besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris verklaarde het bezwaar opnieuw ongegrond in een besluit van 17 juli 2018. De vreemdeling voerde aan dat de belangen van zijn kind onvoldoende waren meegewogen, dat zijn rechtmatig verblijf niet juist was beoordeeld, en dat zijn medische situatie onjuist was behandeld. Tevens stelde hij dat zijn tweede kind en de mogelijke status op grond van artikel 20 VWEU Pro relevant waren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris in redelijkheid heeft gehandeld door het verblijf sinds 2004 minder zwaar mee te wegen en dat de belangen van het kind, waaronder toegang tot onderwijs in Sierra Leone, voldoende waren betrokken. De medische situatie was beoordeeld in het kader van schrijnendheid, waarbij de adviezen van het Bureau Medische Advisering zorgvuldig waren meegewogen. De aanvullende argumenten van de vreemdeling werden niet relevant geacht voor het besluit van 17 juli 2018.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten behoeve van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning in stand blijft.