ECLI:NL:RVS:2016:2002
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens ontbreken geldig terugkeerbesluit
De vreemdeling, met de Algerijnse nationaliteit, was in 1995 ongewenst verklaard en dit besluit gold tevens als terugkeerbesluit. Na vertrek naar Spanje verkreeg hij daar een verblijfsvergunning die geldig was tot 2009. De Spaanse autoriteiten weigerden in 2013 een verzoek tot terugname. De staatssecretaris stelde de vreemdeling in maart 2016 in vreemdelingenbewaring op grond van het oude terugkeerbesluit.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit niet meer geldig was omdat de vreemdeling in Spanje verblijfsrecht had gehad, en verklaarde de bewaring onrechtmatig. De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat het terugkeerbesluit onverminderd van kracht bleef, ongeacht het verblijf in Spanje, en dat de Terugkeerrichtlijn geen intrekking van terugkeerbesluiten door andere lidstaten toestaat.
De Raad van State overwoog dat terugkeer in de zin van de richtlijn alleen geldt bij terugkeer naar een niet-EU-land. Omdat de vreemdeling vóór de implementatietermijn van de richtlijn naar Spanje vertrok, mocht hij erop vertrouwen dat hij aan de terugkeerplicht had voldaan. Daarom had de staatssecretaris een nieuw terugkeerbesluit moeten nemen voor de bewaring. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat het oude terugkeerbesluit niet als grondslag voor bewaring kon dienen en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het terugkeerbesluit van 1995 niet als geldige grondslag voor de bewaring kon dienen en wijst het hoger beroep van de staatssecretaris af.