ECLI:NL:RVS:2011:BR3845
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerverplichting en bewaring vreemdeling na vertrek naar België
De vreemdeling had na afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel Nederland verlaten en was naar België vertrokken. Hij stelde dat hiermee voldaan was aan de terugkeerverplichting uit de meeromvattende beschikking. De Raad van State oordeelde dat volgens de Europese richtlijn 2008/115/EG de terugkeerverplichting pas geldt als de vreemdeling terugkeert naar een land als bedoeld in artikel 3, derde lid, van die richtlijn. Aangezien België niet als zodanig land geldt, is de werking van het terugkeerbesluit niet vervallen.
Daarnaast werd de vreemdeling in bewaring gesteld op grond van het ontbreken van een identiteitsdocument, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats, zijn status als ongewenst vreemdeling en onvoldoende middelen van bestaan. De vreemdeling had zijn paspoort verscheurd, wat werd gezien als het belemmeren van de terugkeerprocedure. Hoewel hij dit deed om misbruik door zijn reisagent te voorkomen, was dit onvoldoende om de bewaring te weerleggen. Ook het vermeende vaste woonadres bij zijn ex-vrouw werd niet als voldoende beschouwd omdat hij het adres had verlaten zonder de minister te informeren.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep kennelijk ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens wees de Raad het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd zonder nieuw terugkeerbesluit.