ECLI:NL:RVS:2016:2165
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat vreemdelingen onvoldoende meewerkten aan vertrek bij aanvraag verblijfsvergunning langdurig verblijvende kinderen
De vreemdelingen, een Georgisch gezin bestaande uit een moeder en haar minderjarige dochter, vroegen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Regeling langdurig verblijvende kinderen. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf en het niet meewerken aan vertrek. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het latere besluit gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Raad van State oordeelde dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat zij hadden meegewerkt aan hun vertrek. Zo hadden zij zich niet tot de Internationale Organisatie voor Migratie gewend en was het verlopen paspoort van de dochter niet vernieuwd, terwijl dit mogelijk was. De vreemdelingen hadden ook na de uitspraak van de Afdeling nog geen stappen ondernomen om aan hun vertrekplicht te voldoen.
De Raad van State verwierp voorts de stellingen van de vreemdelingen dat bijzondere omstandigheden tot afwijking van het beleid zouden leiden. Ook het bezwaar dat zij niet waren gehoord werd afgewezen omdat het redelijk was dat dit achterwege bleef. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep tegen het besluit van 16 september 2015 ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 16 september 2015 wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.