ECLI:NL:RVS:2016:2195
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing handhavingsverzoek tegen schutting zonder vergunning in Deventer
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een geschil tussen buren over een schuttingdeel in Deventer, dat zonder omgevingsvergunning is geplaatst. Het college van burgemeester en wethouders heeft het verzoek tot handhaving afgewezen en deze beslissing is door de rechtbank bevestigd. Zowel appellant sub 1 als appellant sub 2 hebben hoger beroep ingesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat het schuttingdeel een bouwwerk is dat zonder vergunning is geplaatst, maar dat het een overtreding van geringe aard en ernst betreft. Het bouwwerk is klein van omvang, heeft een beperkte ruimtelijke uitstraling en wordt deels door begroeiing aan het zicht onttrokken. Er zijn geen belangen van derden geschaad door het achterwege blijven van handhaving.
Verder is vastgesteld dat appellant sub 1 en appellant sub 2 destijds in goed overleg tot plaatsing zijn gekomen, en dat latere meningsverschillen niet leiden tot een ander oordeel. Het college mocht op grond van de proportionaliteit en het ontbreken van zicht op legalisatie afzien van handhaving. De bezwaren over procedurele aspecten, zoals het niet gelijktijdig horen van partijen en het betoog over vooringenomenheid, zijn ongegrond verklaard.
Het incidenteel hoger beroep van appellant sub 2 dat het schuttingdeel als tuinmeubilair zonder vergunning mocht worden geplaatst, wordt eveneens verworpen. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het college terecht heeft afgezien van handhaving tegen het schuttingdeel zonder vergunning vanwege geringe ernst en onevenredigheid.