ECLI:NL:RVS:2016:2253
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging betalingsregeling Belastingdienst ondanks bezwaren appellant
Appellant verzocht om een persoonlijke betalingsregeling voor een terugvordering van kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst stelde een regeling vast van € 410 per maand, later aangepast naar € 344 per maand. Appellant voerde aan dat zij deze maandlasten niet kon dragen vanwege hypotheek, levensverzekering, leningaflossingen en kosten voor drie kinderen.
De rechtbank oordeelde dat de Belastingdienst bij de berekening van de betalingscapaciteit alleen rekening mag houden met uitgaven die in de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 zijn genoemd, zoals belastingschulden en aflossingen op leningen die voor belastingschulden zijn gebruikt. De lening bij de ING-bank viel hier niet onder. Ook werden de netto woonlasten en kosten voor levensonderhoud van kinderen meegenomen volgens de wettelijke normen.
De Raad van State bevestigt dit oordeel en wijst het hoger beroep af. De persoonlijke omstandigheden van appellant, zoals hogere werkelijke kosten, kunnen niet worden meegenomen bij de berekening van de betalingscapaciteit. Een nieuw verzoek kan worden ingediend als de situatie wijzigt.
De uitspraak van de rechtbank Amsterdam wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De betalingsregeling van € 344 per maand wordt bevestigd ondanks de bezwaren van appellant.