ECLI:NL:RVS:2016:2829
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking wapenverlof wegens betrokkenheid bij hennepplantages en drugshandel
De korpschef van politie trok het wapenverlof van appellant in januari 2015 in, waarna de staatssecretaris dit besluit handhaafde. Appellant stelde beroep in tegen deze besluiten, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep bij de Raad van State werd het geschil behandeld.
De intrekking was gebaseerd op processen-verbaal en een mutatierapport waaruit bleek dat appellant medehuurder was van panden waarin hennepplantages werden aangetroffen en dat hij hiervan op de hoogte was. Hoewel appellant stelde dat hij niet strafrechtelijk vervolgd was en dat de documenten niet tot een veroordeling hadden geleid, oordeelde de Raad van State dat deze documenten als objectief toetsbare motivering konden dienen voor het besluit.
De Raad van State benadrukte dat het intrekken van een wapenverlof geen strafrechtelijke sanctie is, maar een maatregel ter bescherming van de samenleving. Gezien het maatschappelijke belang is geringe twijfel aan de betrouwbaarheid van de vergunninghouder voldoende voor intrekking. De rechtbank en de Raad van State concludeerden dat de staatssecretaris terecht het belang van de veiligheid zwaarder heeft laten wegen dan het persoonlijke belang van appellant bij het wapenverlof.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van het wapenverlof bevestigd.