ECLI:NL:RVS:2016:2941
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid vreemdelingenbewaring na herhaalde asielaanvraag
De vreemdeling werd op 14 juni 2016 in vreemdelingenbewaring gesteld na een eerdere bewaring op 11 april 2016. De rechtbank had de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend, maar de staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep ontvankelijk is en dat de staatssecretaris niet onvoldoende voortvarend heeft gehandeld door de vreemdeling op 14 juni 2016 in bewaring te stellen, ondanks de vertraging veroorzaakt doordat de regievoerder pas op 13 juni 2016 op de asielwens werd gewezen. De vreemdeling had immers niet op het automatische afwezigheidsbericht gereageerd.
Verder wordt geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn geen vereiste is voor bewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, zodat de staatssecretaris niet gehouden was voortvarend voorbereidingen te treffen voor uitzetting.
Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.