ECLI:NL:RVS:2016:2991
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vergoeding schade na onrechtmatige intrekking standplaatsvergunningen in Den Haag
Appellanten A en B hadden standplaatsvergunningen voor de markt aan de Herman Costerstraat in Den Haag. Het college verleende deze vergunningen aan appellant B in juli 2014, maar trok deze in februari 2015 in na een bezwaar van een derde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde echter het besluit van intrekking vanwege een termijnoverschrijding bij het bezwaar van de derde en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, waardoor de intrekking ongedaan werd gemaakt.
Vervolgens verzochten appellanten om schadevergoeding voor de geleden schade als gevolg van het onrechtmatige besluit. Appellant A vroeg vergoeding van accountantskosten, appellant B van advocaatkosten. Het college betwistte de vergoeding van advocaatkosten omdat deze reeds deels waren vergoed via proceskostenveroordeling en stelde dat accountantskosten onvoldoende waren gespecificeerd.
De Afdeling oordeelde dat de accountantskosten van appellant A toewijsbaar zijn en dat het verzoek tot vergoeding van advocaatkosten van appellant B moet worden afgewezen vanwege het limitatieve karakter van de proceskostenregeling. De Afdeling veroordeelde het college tot betaling van €363 aan appellant A plus wettelijke rente en tot vergoeding van proceskosten van €992, maar wees het verzoek van appellant B af.
Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag is veroordeeld tot vergoeding van accountantskosten aan appellant A en tot betaling van proceskosten, terwijl het verzoek van appellant B tot aanvullende advocaatkosten is afgewezen.