ECLI:NL:RVS:2016:3215
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling wegens medische omstandigheden niet achterwege blijft
De vreemdeling, met de Kazachstaanse nationaliteit, had een aanvraag ingediend om te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft wegens zijn ernstige medische toestand, waaronder PTSS en een ernstige depressie. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna de vreemdeling beroep instelde. De rechtbank oordeelde dat het BMA-advies onvoldoende concreet was over de effectiviteit van behandeling in Kazachstan en verklaarde het beroep gegrond.
De Raad van State onderzocht het BMA-advies en de aanvullende nota's en concludeerde dat het BMA voldoende zorgvuldig had gehandeld door te stellen dat subjectieve gevoelens van onveiligheid medisch niet objectief te beoordelen zijn. De Raad overwoog dat de behandelaar onvoldoende had geconcretiseerd hoe de traumatische ervaringen in Kazachstan een effectieve behandeling in het hele land onmogelijk maken.
Verder werd geoordeeld dat het suïciderisico tijdens het behandeltraject in Nederland niet onder artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet valt, en dat de reisvoorwaarden adequaat waren opgenomen in het BMA-advies. De Raad vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit tot uitzetting wordt ongegrond verklaard en eerdere uitspraken worden vernietigd.