ECLI:NL:RVS:2016:3250
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening voorschot huurtoeslag wegens inkomen medebewoner
De Belastingdienst/Toeslagen heeft het aan appellant verleende voorschot huurtoeslag over 2014 herzien en vastgesteld op €1.299,00, en het recht op huurtoeslag over 2013 op €829,00 gesteld, waarbij te veel uitbetaalde voorschotten zijn teruggevorderd. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, stellende dat het inkomen van zijn moeder, die bij hem woont, ten onrechte werd meegeteld omdat zij volgens hem een indicatie 'verblijf' van het CIZ zou moeten hebben vanwege haar verslechterde situatie.
De rechtbank Gelderland verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, omdat uit de door het CIZ afgegeven indicatieverklaring blijkt dat geen indicatie 'verblijf' is toegekend, aangezien de zorg planbaar is en thuis kan plaatsvinden. De Raad van State bevestigt dit oordeel en benadrukt dat het inkomen van medebewoners volgens de Wet op de huurtoeslag en de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen moet worden meegenomen, tenzij sprake is van een verzorgingsbehoefte die blijkt uit een geldige indicatie van het CIZ.
Appellants betoog dat het CIZ ten onrechte geen indicatie heeft afgegeven en dat de situatie van zijn moeder is verslechterd, wordt verworpen omdat de indicatieverklaring na een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep onherroepelijk is geworden. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het inkomen van de moeder van appellant moet worden meegenomen bij de huurtoeslagberekening en verklaart het hoger beroep ongegrond.