ECLI:NL:RVS:2016:3447
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vaststelling intrekking verblijfsvergunning en ingangsdatum EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetenen
De vreemdeling had sinds 2009 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking arbeid als zelfstandige. De staatssecretaris trok deze vergunning met terugwerkende kracht in tot 10 oktober 2014 omdat de vreemdeling vanaf die datum niet meer aan de beperking voldeed. Tevens werd een aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen, maar later alsnog verleend met ingang van 16 oktober 2015.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk omdat hij geen belang zou hebben bij de beoordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het belang wel aanwezig is, met name vanwege de gevolgen voor naturalisatie.
De Afdeling toetste vervolgens de intrekking van de verblijfsvergunning en de vaststelling van de ingangsdatum van de EU-verblijfsvergunning. De intrekking met terugwerkende kracht werd terecht geacht omdat het zwaartepunt van de werkzaamheden van de vreemdeling vanaf 10 oktober 2014 lag bij arbeid in loondienst. De ingangsdatum van de EU-verblijfsvergunning werd bevestigd op 16 oktober 2015 omdat de periode tussen 10 oktober 2014 en 2 oktober 2015 een formeel beperkt verblijfsrecht betrof dat niet meetelt voor de vereiste ononderbroken verblijfsduur.
Verder werd geoordeeld dat de staatssecretaris terecht niet heeft afgezien van intrekking op grond van bijzondere omstandigheden en dat het horen niet verplicht was omdat het bezwaar geen ander besluit kon opleveren. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en ingangsdatum van de EU-verblijfsvergunning worden bevestigd.