“De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.”
12. De stelling van eisers ter zitting dat meldingsformulieren die zijn ingediend door kennismigranten niet door de minister in behandeling worden genomen onder vermelding dat zij zich moeten wenden tot de referent die de melding moet doen, is een handelwijze die door de minister uitdrukkelijk wordt bestreden. De rechtbank merkt hierover op dat eisers niet hebben gesteld op enig moment actie te hebben ondernomen om de minister op de hoogte te brengen of te doen brengen van de wijziging van werkgever, waardoor de gestelde werkwijze van de minister niet kan leiden tot een ander oordeel.
13. De rechtbank overweegt verder dat het feit dat de intrekking als gevolg heeft dat er een verblijfsgat is ontstaan en dat eisers daardoor pas op een later moment in aanmerking kunnen komen voor verlening van verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd en ook pas later kunnen naturaliseren, de minister geen aanleiding heeft hoeven geven om van de intrekking van de verblijfsvergunningen af te zien. Deze nadelige gevolgen zijn niet onevenredig in verhouding tot de met de intrekking beoogde doel en daarbij is ook van belang dat eisers op dit moment in het bezit zijn van geldige verblijfsvergunningen en zij hun verblijf in Nederland dus kunnen voortzetten. De rechtbank verwijst in dit kader naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 november 2017. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan dus niet slagen. De beroepsgrond dat de minister ten onrechte geen aparte belangenafweging voor eiser en eiseres heeft gemaakt kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de besluitvorming volgt duidelijk dat de minister in de belangenafweging zowel de belangen van eiser als die van eiseres heeft betrokken.
14. Eisers voeren verder aan dat de intrekking van hun verblijfsvergunningen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In dit kader verwijzen eisers naar een overzicht van zaken waarin volgens hen ook sprake is van kennismigranten die niet aan de voorwaarden van de vergunning hebben voldaan wegens een fout van hun werkgever. Eisers verwijzen verder naar de (niet-gepubliceerde) uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 2 februari 2024 (NL22.15214) en zittingsplaats Amsterdam 8 mei 2024 (NL23.20232) waar ook een beroep is gedaan op het door eiser overgelegde overzicht.
15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De minister heeft in het bestreden besluit I en het verweerschrift de door eisers genoemde uitspraken afzonderlijk besproken en uiteengezet waarom geen sprake is van gelijke gevallen. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillen in de gezinsomstandigheden, de perioden waarin niet is voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en verschillen de voorwaarden waar niet aan is voldaan. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om een optelsom van omstandigheden waarom in die zaken is besloten om af te zien van intrekking. Eisers hebben ter zitting desgevraagd niet duidelijk kunnen uitleggen waarom volgens hen toch sprake is van gelijke gevallen.
Conclusie intrekking
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken.
NL24.31658 – de afwijzing van de aanvragen
Ambtshalve toetsing van de bevoegdheid
17. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit gewijzigd van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de Minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het bestreden besluit II ten onrechte is genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld.
Mocht de minister de aanvragen van eisers afwijzen?
18. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ ten grondslag gelegd dat zij niet voldoen aan de voorwaarden, omdat zij niet minimaal vijf jaar onafgebroken in Nederland hebben verbleven op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet tijdelijk verblijfsdoel. Eisers hebben namelijk over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 geen geldige verblijfsvergunning gehad.
19. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte hun aanvragen heeft afgewezen en dat dit in strijd is met de Richtlijn langdurig ingezetene (Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen). Eisers stellen dat zij in de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 formeel beperkt verblijfsrecht hadden. Eisers verwijzen in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 en twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072 en 24 januari 2024, NL23.16560. 20. Op grond van artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen, indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag ononderbroken en rechtmatig verblijf heeft gehad.
21. Zoals de rechtbank onder 17 heeft geoordeeld heeft de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mogen intrekken. Dat betekent dat eisers over deze periode geen rechtmatig verblijf hebben gehad. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eisers over deze periode een formeel beperkt verblijfsrecht hebben gehad.
22. In paragraaf D1/2.2. van de Vc is opgenomen dat sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in artikel 45b, eerste lid onder b, van de Vw als:
- De vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; of
- De vreemdeling verblijf heeft gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen en gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning.
23. De rechtbank stelt vast dat de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 niet onder een van deze voorwaarden valt. De rechtbank is verder van oordeel dat de jurisprudentie waar eiser naar verwijst en de Richtlijn langdurig ingezetene onvoldoende aanknopingspunten bieden om de periode in geding aan te kunnen merken als formeel beperkt verblijfsrecht. In de uitspraak van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister ‘terecht’ de periode waarin een vreemdeling niet beschikte over rechtmatig verblijf heeft aangemerkt als formeel beperkt verblijfsrecht en heeft de Afdeling ter motivering verwezen naar een andere uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1435. Zoals de minister in het verweerschrift heeft opgemerkt, gaat het in de uitspraak van 3 april 2012 om een andere situatie. In die zaak ging het namelijk om een vreemdeling die in afwachting was van een besluit op zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier en dat is een situatie die volgens paragraaf D1/2.2. van de Vc wel een formeel beperkt verblijfsrecht oplevert. De rechtbank ziet daarom in de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016 onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht moet worden aangemerkt. De rechtbank is verder van oordeel dat de Richtlijn langdurig ingezetene evenmin aanknopingspunten biedt om de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht aan te merken. Artikel 4 van de Richtlijn bepaalt immers uitdrukkelijk dat lidstaten de status van langdurig ingezetene toekennen aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek op het grondgebied van de lidstaat verblijven. Nu de minister over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 de verblijfsvergunningen van eisers heeft mogen intrekken hebben zij over die periode geen rechtmatig verblijf gehad. 24. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit II in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en verwijzen ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072. 25. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De enkele verwijzing naar (met name 5.1. van) de uitspraak van Amsterdam is onvoldoende onderbouwing dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft bovendien bestreden dat sprake is van een vaste gedragslijn inhoudende dat de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning de opbouw van de verblijfsjaren in de zin van de Richtlijn langdurig ingezetenen niet onderbreekt en ook in dat geval een formeel beperkt verblijfrecht wordt aangenomen over de periode waar het verblijfsgat op ziet.
Hoorplicht
26. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Uit vaste rechtspraak en WI 2022/20 volgt dat van een kennelijk ongegrond bezwaar slechts sprake kan zijn als er bijvoorbeeld sprake is van een herhaling van zetten en daar is geen sprake van.
27. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan alleen van horen worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. In de bezwaargronden hebben eisers argumenten aangevoerd om te onderbouwen dat hun aanvragen ten onrechte zijn afgewezen, omdat sprake was van formeel beperkt verblijfsrecht. Over die rechtsvraag heeft verweerder eisers niet hoeven horen.
Conclusie afwijzing aanvragen
28. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvragen van eisers heeft mogen afwijzen.