ECLI:NL:RBDHA:2025:14763

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juli 2025
Publicatiedatum
8 augustus 2025
Zaaknummer
NL24.28766 NL24.31658
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunningen van kennismigranten en afwijzing aanvragen langdurig ingezetene

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 17 juli 2025, wordt de intrekking van de verblijfsvergunningen van twee Russische eisers, die als kennismigrant in Nederland verbleven, behandeld. De minister van Asiel en Migratie heeft de verblijfsvergunning van de eiser ingetrokken omdat hij niet meer werkzaam was bij een erkend referent. Dit leidde ook tot de intrekking van de afhankelijke verblijfsvergunning van de eiseres. De eisers hebben bezwaar gemaakt tegen deze intrekking en de afwijzing van hun aanvragen voor verblijfsvergunningen als langdurig ingezetene. Ze voerden aan dat de intrekking in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel, maar de rechtbank oordeelde dat de minister terecht had gehandeld. De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de verblijfsvergunningen met terugwerkende kracht gerechtvaardigd was, omdat de eiser niet voldeed aan de voorwaarden van zijn vergunning. De rechtbank verwierp ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel, omdat de minister had aangetoond dat de omstandigheden in de door eisers aangehaalde vergelijkbare zaken verschilden. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wat betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunningen en de afwijzing van de aanvragen voor langdurig ingezetene rechtmatig waren.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.28766 en NL24.31658

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

[eiseres] ,V-nummer [V-nummer] , eiseres samen aangeduid als eisers
(gemachtigde: mr. D. Karasahin), en
de Minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.N. Bontje).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking met terugwerkende kracht van eisers verblijfsvergunningen regulier over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 en de afwijzing van de aanvragen van eisers voor verblijfsvergunningen onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’. Eisers zijn het niet eens met de intrekking van hun verblijfsvergunningen en de afwijzing van hun aanvragen. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunningen en de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken en dat de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ mocht afwijzen
.Eisers krijgen dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding en procesverloop

2. Eisers hebben de Russische nationaliteit. Aan eiser, geboren op [geboortedatum] 1985,was een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ verleend die geldig was van 21 september 2019 tot 1 december 2024. Aan eiseres, geboren op [geboortedatum] 1988, is een van eiser afhankelijke vergunning verleend.
2.1.
Op 28 februari 2022 heeft [bedrijf 1] B.V. aan de minister gemeld dat eiser met ingang van 28 februari 2022 niet meer werkzaam is bij deze werkgever.
2.2.
Eisers hebben op respectievelijk 28 augustus 2023 en 1 september 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’.
2.3.
Vervolgens heeft de minister op 27 september 2023 eisers geïnformeerd dat hij voornemens is hun verblijfsvergunningen in te trekken, omdat niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan omdat eiser sinds 28 februari 2022 niet werkzaam is bij een erkend referent. Eiser heeft op dit voornemen gereageerd en aangegeven dat hij met ingang van 1 maart 2022 werkzaam was bij [bedrijf 2] en dat hij inmiddels werkzaam is bij [bedrijf 3] . Bij besluit van 22 november 2023 heeft de minister de verblijfsvergunning van eisers met terugwerkende kracht ingetrokken voor de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023, omdat eiser in die periode niet voldeed aan de voorwaarden. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 20 juni 2024 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard. Het beroep dat eisers hiertegen hebben ingesteld is geregistreerd onder zaaknummer NL24.28766.
2.4.
Bij separate besluiten van 27 februari 2024 heeft de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken verblijf in Nederland op basis van een niet-tijdelijke verblijfsvergunning. Het bezwaar hiertegen heeft de minister bij besluit van 23 juli 2024 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard. Het beroep dat eisers hiertegen hebben ingesteld is geregistreerd onder zaaknummer NL24.31658.
2.5.
De rechtbank heeft de beroepen gezamenlijk op 25 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, mevrouw A. Avakyan als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

NL24.28766 – de intrekking van de verblijfsvergunningen
Mocht de minister de vergunningen intrekken?
3. De minister heeft aan de intrekking ten grondslag gelegd dat eiser over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 niet voldeed aan de voorwaarden. Na de melding van [bedrijf 1] B.V. aan de minister dat eiser daar met ingang van 28 februari 2022 niet meer werkzaam is heeft de minister geen melding ontvangen van een andere werkgever of van eiser. Uit onderzoek van de minister is gebleken dat eiser in de periode van 1 maart 2022 tot en met 31 augustus 2022 werkzaam is geweest bij een erkend referent, namelijk [bedrijf 2] . Vervolgens is eiser met ingang van 1 september 2022 in dienst getreden bij [bedrijf 3] B.V. en dat is geen erkend referent. De minister heeft daarom, met inachtname van de zoekperiode van drie maanden, met ingang van 1 december 2022 de vergunningen van eisers ingetrokken.
4. De rechtbank stelt vast dat op artikel 19 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) in samenhang gelezen met artikel 18, eerste lid, aanhef en onder van de Vw de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden kan ingetrokken indien niet (langer) wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden. Dit betreft dus een discretionaire bevoegdheid.
5. In paragraaf B1/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) is invulling gegeven aan deze discretionaire bevoegdheid door te bepalen dat de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingetrokken met ingang van de datum waarop niet (meer) wordt voldaan aan de in die paragraaf vermelde voorwaarden.
6. De rechtbank stelt vast dat eisers niet betwisten dat [bedrijf 3] B.V. geen erkend referent is, dat eiser daarom over de periode in geding niet voldeed aan de voorwaarden van zijn vergunning en dat de minister daarom de verblijfsvergunningen mocht intrekken. Eisers voeren aan dat de intrekking van hun vergunningen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel.
Het evenredigheidsbeginsel
7. Eisers voeren aan dat de minister van intrekking had moeten afzien, omdat de gevolgen voor hen onevenredig zijn. Eisers vinden intrekking van hun verblijfsvergunningen niet noodzakelijk en niet evenwichtig. Eisers zijn van mening dat de minister met een alternatief, lichter middel had moeten volstaan, zoals een boete voor de werkgever van eiser. Eisers voeren in dit kader aan dat eiser niet wist dat zijn werkgever geen erkend referent was en dat het hem niet valt te verwijten dat zijn werkgever een fout heeft gemaakt. Eiser was werkzaam bij een erkend referent, [bedrijf 2] , en is bij brief van 3 augustus 2022 door zijn werkgever geïnformeerd dat hij per 1 september 2022 werkzaam is bij [bedrijf 3] B.V., maar dat dit geen gevolgen heeft voor zijn arbeidsvoorwaarden. Door de intrekking is er voor eisers een verblijfsgat ontstaan en zal het langer duren voordat zij permanent verblijf in Nederland kunnen krijgen, terwijl eisers hiermee al bezig waren en hun toekomstplannen daarop hadden afgesteld. Ook wijzen zij op de memorie van toelichting bij de Wet modern migratiebeleid waar uit volgt dat niet altijd hoeft te worden ingetrokken bij het niet voldoen aan de voorwaarden en juist de plicht tot maatwerk wordt opgelegd.
8. In de uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een algemeen kader geformuleerd voor de toetsing van op een discretionaire bevoegdheid rustende besluiten, zoals hier ook het geval is, aan het evenredigheidsbeginsel. De Afdeling heeft onder 7.10 van die uitspraak overwogen dat, als de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, de bestuursrechter de belangenafweging die ten grondslag ligt aan de besluiten, zal toetsen aan de norm die is neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is afhankelijk van een veelheid aan factoren en verschilt daarom van geval tot geval. Geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid spelen daarbij een rol, maar de toetsing daaraan zal niet in alle gevallen op dezelfde wijze plaatsvinden. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1938, r.o. 13.1).
9. De rechtbank overweegt dat uit rechtspraak van de Afdeling (waaronder de uitspraak van 6 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2285) volgt dat intrekking met terugwerkende kracht van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als kennismigrant’ in beginsel evenredig is, omdat een juiste toepassing van de kennismigrantenregeling een legitiem belang is. De Afdeling heeft in een uitspraak van 30 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3294, geoordeeld dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet modern migratiebeleid volgt dat de koppeling tussen de referentstelling en de verblijfsvergunning van een vreemdeling die verblijf beoogt als kennismigrant, bewust is aangebracht om te voorkomen dat een werkgever, zonder zich referent te stellen, toch het gewenste verblijf van de desbetreffende vreemdeling kan bewerkstelligen. Dit betekent dat de gevolgen van het handelen van de werkgever in beginsel voor rekening van de vreemdeling mag worden gebracht.
10. Uit de door eiser overgelegde brief van 3 augustus 2022 blijkt dat hij er in die brief op is gewezen dat hij met ingang van 1 september 2022 een formeel andere werkgever had:
“Through this letter, [bedrijf 2] AB and you mutually agree that, with effect from September 1,2022, your employment will transfer to [bedrijf 3] B.V., who will be your new formal employer.
The transfer merely constitutes a change of your formal employer. (…)
Your employment with [bedrijf 2] AB will therefore terminate in mutual consent upon the transfer to [bedrijf 3] on September 1, 2022 (…)”
11. Eiser was dus in kennis gesteld van het feit dat sprake was van een formeel andere werkgever. Het had daarom (ook) op zijn weg gelegen om aan de minister door te geven dat hij met ingang van 1 september 2022 een andere werkgever had. Eiser was namelijk op grond van artikel 4.26 van het Vreemdelingen Voorschrift 2000 (VV) ook zelf verplicht om wijziging van een werkgever door te geven. De stelling van eisers dat uit de toelichting op artikel 4.26 van het VV blijkt dat deze meldingen door de werkgevers gemaakt moeten worden en niet door de kennismigranten zelf volgt de rechtbank niet. De tekst van artikel van het VV biedt geen ruimte voor deze uitleg van eisers:
“De vreemdeling die in Nederland verblijft in het kader van uitwisseling, studie, seizoenarbeid, lerend werken, arbeid in loondienst, arbeid als kennismigrant, als houder van de Europese blauwe kaart of in het kader van onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801, verstrekt inlichtingen indien hij van uitwisselings- of au pairorganisatie, onderwijsinstelling of werkgever wijzigt.”
12. De stelling van eisers ter zitting dat meldingsformulieren die zijn ingediend door kennismigranten niet door de minister in behandeling worden genomen onder vermelding dat zij zich moeten wenden tot de referent die de melding moet doen, is een handelwijze die door de minister uitdrukkelijk wordt bestreden. De rechtbank merkt hierover op dat eisers niet hebben gesteld op enig moment actie te hebben ondernomen om de minister op de hoogte te brengen of te doen brengen van de wijziging van werkgever, waardoor de gestelde werkwijze van de minister niet kan leiden tot een ander oordeel.
13. De rechtbank overweegt verder dat het feit dat de intrekking als gevolg heeft dat er een verblijfsgat is ontstaan en dat eisers daardoor pas op een later moment in aanmerking kunnen komen voor verlening van verblijfsvergunningen voor onbepaalde tijd en ook pas later kunnen naturaliseren, de minister geen aanleiding heeft hoeven geven om van de intrekking van de verblijfsvergunningen af te zien. Deze nadelige gevolgen zijn niet onevenredig in verhouding tot de met de intrekking beoogde doel en daarbij is ook van belang dat eisers op dit moment in het bezit zijn van geldige verblijfsvergunningen en zij hun verblijf in Nederland dus kunnen voortzetten. De rechtbank verwijst in dit kader naar de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 30 november 2017. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel kan dus niet slagen. De beroepsgrond dat de minister ten onrechte geen aparte belangenafweging voor eiser en eiseres heeft gemaakt kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de besluitvorming volgt duidelijk dat de minister in de belangenafweging zowel de belangen van eiser als die van eiseres heeft betrokken.
Het gelijkheidsbeginsel
14. Eisers voeren verder aan dat de intrekking van hun verblijfsvergunningen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. In dit kader verwijzen eisers naar een overzicht van zaken waarin volgens hen ook sprake is van kennismigranten die niet aan de voorwaarden van de vergunning hebben voldaan wegens een fout van hun werkgever. Eisers verwijzen verder naar de (niet-gepubliceerde) uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 2 februari 2024 (NL22.15214) en zittingsplaats Amsterdam 8 mei 2024 (NL23.20232) waar ook een beroep is gedaan op het door eiser overgelegde overzicht.
15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet kan slagen. De minister heeft in het bestreden besluit I en het verweerschrift de door eisers genoemde uitspraken afzonderlijk besproken en uiteengezet waarom geen sprake is van gelijke gevallen. Zo zijn er bijvoorbeeld verschillen in de gezinsomstandigheden, de perioden waarin niet is voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning en verschillen de voorwaarden waar niet aan is voldaan. De minister heeft ter zitting toegelicht dat het gaat om een optelsom van omstandigheden waarom in die zaken is besloten om af te zien van intrekking. Eisers hebben ter zitting desgevraagd niet duidelijk kunnen uitleggen waarom volgens hen toch sprake is van gelijke gevallen.
Conclusie intrekking
16. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken.
NL24.31658 – de afwijzing van de aanvragen
Ambtshalve toetsing van de bevoegdheid
17. Met ingang van 2 juli 2024 is de bevoegde beslissingsautoriteit gewijzigd van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de Minister van Asiel en Migratie. De rechtbank stelt ambtshalve vast dat het bestreden besluit II ten onrechte is genomen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Dit is een gebrek. De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld.
Mocht de minister de aanvragen van eisers afwijzen?
18. De minister heeft aan de afwijzing van de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ ten grondslag gelegd dat zij niet voldoen aan de voorwaarden, omdat zij niet minimaal vijf jaar onafgebroken in Nederland hebben verbleven op basis van een geldige verblijfsvergunning regulier voor een niet tijdelijk verblijfsdoel. Eisers hebben namelijk over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 geen geldige verblijfsvergunning gehad.
19. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte hun aanvragen heeft afgewezen en dat dit in strijd is met de Richtlijn langdurig ingezetene (Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen). Eisers stellen dat zij in de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 formeel beperkt verblijfsrecht hadden. Eisers verwijzen in dit kader naar een uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 en twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072 en 24 januari 2024, NL23.16560.
20. Op grond van artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen afgewezen, indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag ononderbroken en rechtmatig verblijf heeft gehad.
21. Zoals de rechtbank onder 17 heeft geoordeeld heeft de minister de verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mogen intrekken. Dat betekent dat eisers over deze periode geen rechtmatig verblijf hebben gehad. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of eisers over deze periode een formeel beperkt verblijfsrecht hebben gehad.
22. In paragraaf D1/2.2. van de Vc is opgenomen dat sprake is van een formeel beperkt verblijfsrecht als bedoeld in artikel 45b, eerste lid onder b, van de Vw als:
  • De vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning; of
  • De vreemdeling verblijf heeft gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen, verlengen of wijzigen en gedurende een bezwaar- of beroepsprocedure, gericht tegen een intrekking van een verblijfsvergunning.
23. De rechtbank stelt vast dat de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 niet onder een van deze voorwaarden valt. De rechtbank is verder van oordeel dat de jurisprudentie waar eiser naar verwijst en de Richtlijn langdurig ingezetene onvoldoende aanknopingspunten bieden om de periode in geding aan te kunnen merken als formeel beperkt verblijfsrecht. In de uitspraak van 23 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3447 heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister ‘terecht’ de periode waarin een vreemdeling niet beschikte over rechtmatig verblijf heeft aangemerkt als formeel beperkt verblijfsrecht en heeft de Afdeling ter motivering verwezen naar een andere uitspraak van de Afdeling van 3 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1435. Zoals de minister in het verweerschrift heeft opgemerkt, gaat het in de uitspraak van 3 april 2012 om een andere situatie. In die zaak ging het namelijk om een vreemdeling die in afwachting was van een besluit op zijn aanvraag om wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning regulier en dat is een situatie die volgens paragraaf D1/2.2. van de Vc wel een formeel beperkt verblijfsrecht oplevert. De rechtbank ziet daarom in de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2016 onvoldoende aanleiding om te oordelen dat de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht moet worden aangemerkt. De rechtbank is verder van oordeel dat de Richtlijn langdurig ingezetene evenmin aanknopingspunten biedt om de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 als formeel beperkt verblijfsrecht aan te merken. Artikel 4 van de Richtlijn bepaalt immers uitdrukkelijk dat lidstaten de status van langdurig ingezetene toekennen aan onderdanen van derde landen die legaal en ononderbroken vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek op het grondgebied van de lidstaat verblijven. Nu de minister over de periode van 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 de verblijfsvergunningen van eisers heeft mogen intrekken hebben zij over die periode geen rechtmatig verblijf gehad.
Gelijkheidsbeginsel
24. Eisers voeren aan dat het bestreden besluit II in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en verwijzen ter onderbouwing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 14 augustus 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:21072.
25. De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De enkele verwijzing naar (met name 5.1. van) de uitspraak van Amsterdam is onvoldoende onderbouwing dat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De minister heeft bovendien bestreden dat sprake is van een vaste gedragslijn inhoudende dat de intrekking met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning de opbouw van de verblijfsjaren in de zin van de Richtlijn langdurig ingezetenen niet onderbreekt en ook in dat geval een formeel beperkt verblijfrecht wordt aangenomen over de periode waar het verblijfsgat op ziet.
Hoorplicht
26. Eisers voeren aan dat sprake is van schending van de hoorplicht. Uit vaste rechtspraak en WI 2022/20 volgt dat van een kennelijk ongegrond bezwaar slechts sprake kan zijn als er bijvoorbeeld sprake is van een herhaling van zetten en daar is geen sprake van.
27. De rechtbank is van oordeel dat de minister de hoorplicht niet heeft geschonden. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan alleen van horen worden afgezien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kan leiden dan in het primaire besluit is vervat. In de bezwaargronden hebben eisers argumenten aangevoerd om te onderbouwen dat hun aanvragen ten onrechte zijn afgewezen, omdat sprake was van formeel beperkt verblijfsrecht. Over die rechtsvraag heeft verweerder eisers niet hoeven horen.
Conclusie afwijzing aanvragen
28. De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvragen van eisers heeft mogen afwijzen.

Conclusie en gevolgen

29. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat de minister verblijfsvergunningen van eisers over de periode 1 december 2022 tot 1 oktober 2023 mocht intrekken en dat de minister de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘EU langdurig ingezetene’ mocht afwijzen. Omdat de beroepen ongegrond zijn krijgen eiseres het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, voorzitter, en mr. S.G.M. van Veen en mr. E.R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
17 juli 2025

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.