ECLI:NL:RVS:2016:425
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over discretionaire verblijfsvergunning vreemdelingen
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie reageerde op verzoek van de burgemeester van Amsterdam om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid voor het verstrekken van verblijfsvergunningen aan vreemdelingen. De staatssecretaris wees dit af en verklaarde het bezwaar van de vreemdelingen niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde het besluit en beval een nieuw besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de reactie van de staatssecretaris geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht is, omdat de burgemeester geen belanghebbende is en de brief geen aanvraag betreft. Bovendien staat tegen de reactie geen bezwaar open. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat het bezwaar ontvankelijk was en dat de vreemdelingen gehoord hadden moeten worden.
De Afdeling stelde vast dat de leges voor de aanvraag van een discretionaire vergunning geen reden zijn voor een ander oordeel, omdat vreemdelingen in de aanvraagprocedure kunnen aantonen dat zij niet in staat zijn deze te betalen. Ook het verschil in ingangsdatum van de vergunning leidt niet tot een andere rechtspositie. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.