ECLI:NL:RVS:2016:856
Raad van State
- Hoger beroep
- P.J.J. van Buuren
- C.M. Wissels
- J.W. van de Gronden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget wegens niet-rechtmatig verblijf partner
Appellante verzocht voor het jaar 2013 om huurtoeslag, zorgtoeslag en kindgebonden budget, welke door de Belastingdienst/Toeslagen werden afgewezen omdat haar partner niet rechtmatig in Nederland verbleef. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het Nederlandse stelsel van sociale voorzieningen primair een positieve verplichting tot verstrekking van deze toeslagen niet inhoudt, en dat het koppelingsbeginsel in de Vreemdelingenwet 2000 een redelijke en objectieve rechtvaardiging vormt voor het onderscheid tussen personen met een rechtmatig verblijf en personen zonder.
Hoewel het vertrek van de partner ingrijpend is voor het gezin, oordeelde de Afdeling dat de omstandigheden van appellante niet zodanig bijzonder zijn dat het toepasselijke artikel 9, tweede lid, van de Awir buiten toepassing moet worden gelaten. Ook werd geoordeeld dat de belangen van het kind voldoende zijn betrokken en dat de aangevoerde verdragsbepalingen niet leiden tot een andere uitkomst.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toeslagen bevestigd.