ECLI:NL:RVS:2017:137
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De minister voor Immigratie en Asiel had op 30 augustus 2011 het besluit genomen om de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd en de vergunning tot verblijf zonder beperking van de vreemdeling in te trekken. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 23 juni 2016 het beroep gegrond verklaarde en het besluit vernietigde.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie stelde vervolgens hoger beroep in tegen deze uitspraak. De vreemdeling stelde ook incidenteel hoger beroep in, gericht op verbetering van de gronden van de uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van de staatssecretaris beoordeeld en geoordeeld dat het beroep van de vreemdeling ontvankelijk was en dat het hoger beroep van de staatssecretaris kennelijk ongegrond is.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de vreemdeling geen belang had bij een gunstiger uitkomst dan reeds bereikt door de rechtbankuitspraak. De Afdeling bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd, het hoger beroep van de staatssecretaris is ongegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling niet-ontvankelijk.