ECLI:NL:RVS:2017:1426
Raad van State
- Hoger beroep
- R.J.J.M. Pans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invorderingsrente bij terugvordering huurtoeslag ondanks persoonlijke omstandigheden
Appellante maakte bezwaar tegen de door de Belastingdienst/Toeslagen in rekening gebrachte invorderingsrente over teruggevorderde huurtoeslagbedragen uit 2013 en 2015. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de invorderingsrente rechtstreeks uit de wet voortvloeit en de dienst niet van de wettelijke bepalingen kon afwijken.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij ook bezwaar wilde maken tegen de gehele terugvordering en de werkwijze van de Belastingdienst, en dat het onredelijk was dat alleen de invorderingsrente ter discussie stond. De Afdeling oordeelde dat alleen het beroep tegen het besluit over de invorderingsrente aan de orde was, omdat tegen eerdere besluiten geen beroep was ingesteld.
De Afdeling bevestigde dat de wettelijke bepalingen van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en de Invorderingswet 1990 de grondslag vormen voor de invorderingsrente. Een toetsing van de wet aan algemene rechtsbeginselen is niet toegestaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invorderingsrente blijft verschuldigd.