ECLI:NL:RVS:2017:2142
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht bij Wob-verzoeken en beroepsprocedures
Appellanten hebben via hun gemachtigde meerdere Wob-verzoeken ingediend bij de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie (CVOM) met betrekking tot verkeersboetes. De minister stelde deze verzoeken buiten behandeling en verklaarde de daarop ingestelde bezwaren niet-ontvankelijk. Na herziening werden de besluiten herroepen en documenten verstrekt, waarna appellanten het beroep introkken en proceskostenvergoeding vorderden. De rechtbank wees dit verzoek toe, maar de minister ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de gemachtigde van appellanten misbruik van recht heeft gemaakt door de Wob-verzoeken en beroepsprocedures in te zetten voor een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheden zijn gegeven. De verzoeken waren vaag en algemeen geformuleerd, en dienden vooral om procedures te genereren die proceskostenvergoedingen opleverden. De gemachtigde handelde met kennis van zaken en op basis van ‘no cure no pay’, wat zijn belang bij veroordelingen vergrootte.
Gelet op eerdere jurisprudentie en de specifieke omstandigheden concludeerde de Afdeling dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens misbruik van recht. Tevens werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 9 augustus 2017.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht bij het indienen van Wob-verzoeken en beroepsprocedures.