ECLI:NL:RVS:2017:2223
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid Kroatië voor asielverzoek vreemdeling volgens Dublinverordening
De vreemdeling diende op 21 januari 2016 een asielverzoek in Nederland in. Uit Eurodac-gegevens bleek dat zijn vingerafdrukken op 18 december 2015 in Kroatië waren afgenomen. Na meerdere gehoorzittingen vroeg Nederland op 8 februari 2016 Kroatië om de vreemdeling over te nemen op grond van de Dublinverordening. De staatssecretaris nam het asielverzoek niet in behandeling, wat door de rechtbank werd vernietigd.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en betoogde dat de verantwoordelijkheid voor het asielverzoek bij Kroatië lag, ook al was het dactyloscopisch onderzoek al op 28 januari 2016 beschikbaar. De rechtbank had geoordeeld dat Nederland al was begonnen met de inhoudelijke behandeling, maar de Raad van State oordeelde dat de procedure nog niet was afgerond en dat de staatssecretaris bevoegd bleef om de vreemdeling aan Kroatië over te dragen.
Verder stelde de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij onredelijk had gehandeld door de asielaanvraag niet aan zich te trekken. De Raad van State vond de omstandigheden niet zodanig dat overdracht aan Kroatië onevenredig hard zou zijn.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië voor de asielaanvraag werd bevestigd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en Kroatië blijft verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.