ECLI:NL:RVS:2017:2750
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- J.E.M. Polak
- Rechtspraak.nl
Vaststelling boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen na hoger beroep
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [appellante sub 2] een boete op van €12.000 wegens het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder geldige tewerkstellingsvergunning. Na bezwaar matigde de minister de boete tot €8.000, waarna de rechtbank deze verder matigde tot €2.000. De minister stelde hoger beroep in tegen deze matiging.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling arbeid heeft verricht ten behoeve van [appellante sub 2] zonder geldige vergunning, waarbij de rechtbank ten onrechte de boete met 75% heeft gematigd. De minister had de boete passend met 50% mogen matigen gezien de omstandigheden, waardoor de boete op €4.000 werd vastgesteld.
Verder verwierp de Raad het beroep van [appellante sub 2] dat de boete had moeten worden opgeheven wegens het ontbreken van verwijtbaarheid en dat sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. De procedure verliep binnen de wettelijke termijnen. De uitspraak van de rechtbank werd voor het overige bevestigd en de boete definitief vastgesteld op €4.000.
Uitkomst: De boete wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vastgesteld op €4.000.