Uitspraak
200803832/1) leidt overschrijding van de in artikel 19e, derde lid, van de Wav genoemde termijn niet tot de conclusie dat niet langer een boete kan worden opgelegd. Daartoe is redengevend dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II, 2003/04, 29 523, nr. 3, p. 18), blijkt dat die termijn een termijn van orde is, aan de overschrijding waarvan geen gevolgen zijn verbonden.
200510578/1, wordt een vennootschap onder firma, zijnde een vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, ingevolge artikel 18a, derde lid, aanhef en onder 1˚, gelezen in samenhang met artikel 19d, eerste lid, van de Wav, wat de hoogte van een op te leggen boete betreft met een rechtspersoon gelijkgesteld. Nu de hoogte van de boete, voor zover verband houdend met de door de vennoten zelf gekozen rechtsvorm, haar grond vindt in de gelijkstelling in de Wav van de vennootschap onder firma met een rechtspersoon en de minister in zoverre geen beslissingsruimte heeft, bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister in zoverre ten onrechte tot oplegging van het voor rechtspersonen geldende boetenormbedrag is overgegaan. Dat de vennootschap onder firma niet langer bestaat en [appellant] sedertdien het restaurant als eenmanszaak exploiteert, laat onverlet dat de overtreding is begaan door de vennootschap onder firma en ieder van de vennoten hoofdelijk aansprakelijk is voor de totale boete die in verband daarmee is opgelegd.
200704906/1), wordt in situaties waarin sprake is van het volledig ontbreken van verwijtbaarheid van boeteoplegging afgezien. Hiertoe dient de werkgever aannemelijk te maken dat hij al hetgeen redelijkerwijs mogelijk was heeft gedaan om de overtreding te voorkomen. Een verminderde mate van verwijtbaarheid kan aanleiding geven de opgelegde boete te matigen.
200705985/1), kan het bevoegde orgaan, de Centrale organisatie werk en inkomen (hierna: de CWI), in het kader van een aanvraag om verlening van een tewerkstellingsvergunning, beoordelen of voor de tewerkstelling van de desbetreffende vreemdeling prioriteitgenietend arbeidsaanbod aanwezig is en of de arbeidsvoorwaarden, arbeidsverhoudingen of arbeidsomstandigheden zich tegen de beoogde tewerkstelling verzetten. Dat de CWI de eerdere aanvragen van [appellant] om verlening van een tewerkstellingsvergunning voor de vreemdelingen heeft ingewilligd, laat onverlet dat hij gehouden was om opnieuw tewerkstellingsvergunningen aan te vragen voor de door de vreemdelingen te verrichten werkzaamheden, zodat de CWI opnieuw zou kunnen vaststellen of sprake was van schending van de doelstellingen van de Wav. Het betoog faalt.
200607461/1), is bij een besluit tot boeteoplegging het in artikel 3:4 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde evenredigheidsbeginsel aan de orde. Als de toepassing van de beleidsregels voor een belanghebbende gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen, dan moet van deze beleidsregels worden afgeweken. Bij bijzondere omstandigheden die tot matiging aanleiding geven gaat het in ieder geval, mede gelet op artikel 4:84 van Pro de Awb, om individuele omstandigheden met een uitzonderlijk karakter. Voormeld evenredigheidsbeginsel kan, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 juni 2009 in zaak nr.
200806748/1/V6), ook aanleiding geven de beleidsregels in het concrete geval buiten toepassing te laten en een lagere boete op te leggen.
200800978/1, ten onrechte heeft overwogen dat hij eerst aan de boetekennisgeving van 28 september 2007 in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat hem een boete zou worden opgelegd. Nu hem op 19 december 2005, na het horen door de inspecteurs, door de inspecteur het boeterapport is aangezegd, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM), volgens [appellant] op die datum aangevangen.
200604911/1), is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM overschreden, indien de duur van de totale procedure onredelijk lang is. Voorts heeft, zoals de Hoge Raad (hierna: de HR) heeft overwogen en waarbij de Afdeling zich aansluit, voor de beslechting van het geschil in eerste aanleg als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet en dat deze termijn aanvangt op het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd (arrest van de HR van 22 april 2005, nr. 37984; AB 2006, 11).