ECLI:NL:RVS:2017:3620
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling feitelijke gezinsband voor machtiging voorlopig verblijf pleegkind
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees een aanvraag van een minderjarige Somalische vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af, omdat zij naar zijn oordeel niet tot het gezin van haar pleegvader behoorde op het moment van diens binnenkomst in Nederland. De vreemdeling, die bij haar pleegvader wilde verblijven, stelde dat zij wel degelijk deel uitmaakte van zijn samengestelde gezin.
De rechtbank oordeelde dat de feitelijke gezinsband aannemelijk was en dat de staatssecretaris het besluit onvoldoende had gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris ging in hoger beroep en betwistte onder meer de uitleg van het begrip 'gezin' en de toepassing van bijzondere omstandigheden.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het besluit van de staatssecretaris ondeugdelijk was gemotiveerd en dat het beleid en de wettelijke vereisten correct moeten worden toegepast. De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en het bestreden besluit, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de staatssecretaris de feitelijke gezinsband nader moet onderzoeken. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris moet de feitelijke gezinsband nader onderzoeken.