ECLI:NL:RVS:2017:838

Raad van State

Datum uitspraak
29 maart 2017
Publicatiedatum
29 maart 2017
Zaaknummer
201602710/1/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • P.J.J. van Buuren
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Eerste Protocol EVRMArt. 6 EVRMArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroep tegen plaatsingsplan ondergrondse restafvalcontainers in Nassaubuurt Den Haag

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde op 8 maart 2016 een plaatsingsplan vast voor ondergrondse restafvalcontainers (ORAC's) in de wijk Nassaubuurt. Appellanten betoogden dat de plaatsing nabij hun woningen hun woongenot aantast en dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, mede gelet op het EVRM.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het besluit voldoet aan de motiveringseisen van artikel 3:46 Awb Pro en dat appellanten onvoldoende hebben toegelicht waarom zij onevenredig worden geschaad. Ook werd geen aannemelijk bewijs geleverd voor waardevermindering van woningen of een onaanvaardbaar verlies van parkeerruimte.

Een voorgesteld alternatief voor de locatie werd afgewezen vanwege overschrijding van de maximale loopafstand tot de containers. De Afdeling concludeerde dat het college binnen de randvoorwaarden heeft gehandeld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het plaatsingsplan voor ondergrondse restafvalcontainers in de Nassaubuurt is ongegrond verklaard.

Uitspraak

201602710/1/A1.
Datum uitspraak: 29 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1.    [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Den Haag (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),
2.    [appellant sub 2] en anderen, wonend te Den Haag (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 8 maart 2016 heeft het college een plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: ORAC's) in de wijk Nassaubuurt (wijk 48) te Den Haag.
Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 januari 2017, waar [appellant sub 1A], [appellant sub 2] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. P.T.F. Langerak, advocaat te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.P. van der Roest, mr. M.M.C. van der Helm en ing. R. van Coevorden, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    Bij het bestreden besluit heeft het college, door vaststelling van het plaatsingsplan, concrete locaties in de wijk Nassaubuurt aangewezen waar ORAC’s worden geplaatst. Onder meer wordt voorzien in plaatsing van twee ORAC’s nabij de woning van [appellant sub 1] aan de Mesdagstraat […] en voor en nabij de woningen van [appellant sub 2] aan de Mesdagstraat […], […], […] en […] (locatie 48-15A; hierna: de locatie). [appellant sub 1] en [appellant sub 2] kunnen zich niet met de aanwijzing van de locatie verenigen.
2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat zij door de ORAC's nabij hun woningen in hun woongenot worden aangetast. Volgens hen is het recht op het ongestoord genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) in het geding. Volgens hen moeten daarom, gelet op artikel 6 van Pro het EVRM, hoge eisen worden gesteld aan de motivering van het besluit en moet de Afdeling het besluit indringend toetsen.
2.1.    Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de Afdeling, gelet op artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM en artikel 6 van Pro het EVRM, het bestreden besluit indringend moet toetsen, richt zich dit niet tegen het bestreden besluit als zodanig en kan het daarom niet slagen. Voor zover appellanten betogen dat, gelet op deze bepalingen, aan de motivering van het bestreden besluit hoge eisen moeten worden gesteld, overweegt de Afdeling dat het besluit op dit punt moet worden getoetst aan artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), dat bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Voor het oordeel dat artikel 3:46 van Pro de Awb niet in overeenstemming is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM of artikel 6 van Pro het EVRM ziet de Afdeling, gelet op hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd, geen aanknopingspunt. De toetsing aan artikel 3:46 van Pro de Awb vindt hieronder plaats.
2.2.    Het college heeft in de Nota van antwoord gereageerd op de door belanghebbenden over het ontwerp van het aangevochten plaatsingsplan naar voren gebrachte zienswijzen. Daarin staat dat de ORAC's grotendeels ondergronds worden geplaatst, waarbij de hoogte van het bovengrondse gedeelte ongeveer 1 m bedraagt en dat op veel locaties waar ORAC's worden geplaatst bovendien reeds auto's geparkeerd staan. Volgens de nota leidt plaatsing van ORAC's dan ook niet tot devaluatie van straatbeeld, uitzicht en woongenot.
Gelet op deze motivering lag het op de weg van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] om nader toe te lichten waarom zij volgens hen niettemin door plaatsing van ORAC's in de nabijheid van hun woningen onevenredig in hun belangen worden geschaad. Nu zij dat niet hebben gedaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college vanwege de nabijheid van de woningen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] had moeten afzien van aanwijzing van de locatie.
Het betoog faalt.
3.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat plaatsing van de ORAC's tot waardevermindering van hun woningen zal leiden. Zij stellen dat zij in aanmerking komen voor nadeelcompensatie.
3.1.    Het college stelt zich op het standpunt dat waardevermindering van de woningen niet is aangetoond. Er is geen sprake van devaluatie van het straatbeeld, uitzicht en woongenot, aldus het college.
3.2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van hun woningen als gevolg van de plaatsing van de ORAC zal dalen. In de enkele stelling dat het college nadeelcompensatie had moeten toekennen behoefde het college in redelijkheid geen aanleiding te zien om van de aanwijzing van de locatie af te zien. Dit laat onverlet dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2], indien zij menen dat zij schade lijden die niet voor hun rekening dient te komen, een verzoek tot schadevergoeding tot het college kunnen richten.
Het betoog faalt.
4.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat het aanwijzing van de locatie leidt tot verlies van parkeerruimte. Zij voeren aan dat de parkeerdruk in de Mesdagstraat zeer hoog is en voeren aan dat het college er op grond van onvoldoende onderzoek vanuit is gegaan dat de parkeerdruk in de wijk niet meer dan 90% bedraagt.
4.1.    Bij de vaststelling van het plaatsingsplan heeft het college de randvoorwaarden bij het vinden van geschikte locaties voor ondergrondse containers, neergelegd in zijn "Kadervoorstel ondergrondse inzamelcontainers voor restafval" met kenmerk RIS 160943, gehanteerd. De randvoorwaarde inzake parkeren houdt in dat het aantal te vervallen parkeerplaatsen tot een minimum wordt beperkt.
In de Nota van antwoord staat dat het verlies van parkeerruimte in dit geval aanvaardbaar is, omdat de parkeerdruk in de wijk na plaatsing van de ORAC's niet boven de vastgestelde norm van 90% zal uitstijgen.
Door een locatie aan te wijzen die tot het verlies van enige parkeerruimte leidt, heeft het college niet in strijd met de randvoorwaarden besloten. Het college heeft in de omstandigheid dat de parkeerdruk in de Mesdagstraat hoog is, geen aanleiding hoeven te vinden om af te zien van aanwijzing van de locatie. Het mocht er in redelijkheid voor kiezen om betekenis toe te kennen aan de parkeerdruk op wijkniveau. In hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd vindt de Afdeling verder geen grond voor het oordeel dat het college daarbij niet heeft mogen uitgaan van tellingen die uitwijzen dat de parkeerdruk in de wijk niet hoger is dan 90%.
Het betoog faalt.
5.    Ter zitting heeft [appellant sub 2] betoogd dat een geschiktere alternatieve locatie kan worden gevonden nabij de kruising van de Mesdagstraat met de Zuid-Hollandlaan. Hij voert aan dat deze locatie niet voor een woning ligt en niet ten koste van parkeerruimte gaat. Hij betwist dat deze locatie niet geschikt is, gelet op de aanwezigheid van kabels en leidingen onder de grond en de loopafstanden vanaf woningen tot de dichtstbijzijnde ORAC. De bewoners van de Mesdagstraat steunen dit alternatief in meerderheid, aldus [appellant sub 2].
5.1.    De randvoorwaarde inzake loopafstanden houdt in dat de maximale loopafstand van de huisdeur tot de container maximaal 75 m mag bedragen, waarbij onder bijzondere omstandigheden een uitloop naar maximaal 125 m is toegestaan.
Ter zitting is komen vast te staan dat de keuze voor de alternatieve locatie in plaats van de aangewezen locatie 48-15A ertoe zal leiden dat de loopafstanden tot de dichtstbijzijnde ORAC vanaf verschillende woningen in de Mesdagstraat zullen oplopen tot meer dan 75 m. Het college heeft in de door [appellant sub 2] gestelde voordelen van deze alternatieve locatie geen bijzondere omstandigheden hoeven te vinden om van de in de randvoorwaarden gestelde maximale loopafstand van 75 m af te wijken en af te zien van aanwijzing van locatie 48-15A. De gestelde omstandigheid dat de bewoners van de Mesdagstraat de alternatieve locatie in meerderheid steunen, maakt dat niet anders. De randvoorwaarden zijn opgesteld met het oog op alle relevante belangen, waaronder de belangen van de overige bewoners, zodat het college niet gehouden was onder de genoemde omstandigheid van de randvoorwaarden af te wijken.
Het betoog faalt.
6.    De beroepen zijn ongegrond.
7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Van Buuren
lid van de enkelvoudige kamer    De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Uitgesproken in het openbaar op 29 maart 2017
190-727.