ECLI:NL:RVS:2017:973
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring onterecht wegens onvoldoende twijfel over identiteit en nationaliteit
De vreemdeling werd op 27 januari 2017 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond verklaard, stellende dat onvoldoende zekerheid bestond over zijn identiteit en nationaliteit.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet had onderkend dat de staatssecretaris in een eerdere asielprocedure reeds had vastgesteld dat zijn Afghaanse identiteit en nationaliteit geloofwaardig waren, ondanks het ontbreken van documenten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het ontbreken van documenten op zichzelf geen concrete aanwijzing voor twijfel vormt, zeker niet wanneer de identiteit eerder als geloofwaardig was beoordeeld.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen het bewaringbesluit alsnog gegrond. Omdat de bewaring reeds was opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend over de periode van bewaring en werden proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring werd onterecht opgelegd en het beroep van de vreemdeling werd gegrond verklaard met toekenning van een vergoeding.