ECLI:NL:RVS:2018:1041
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging stopzetting kinderopvangtoeslag en afwijzing schadevergoeding wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft het hoger beroep van een appellant tegen de stopzetting van de kinderopvangtoeslag door de Belastingdienst/Toeslagen over de jaren 2013 en 2014. De rechtbank had de beroepen van appellant ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Voor 2013 oordeelde de rechtbank dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zij de volledige kosten voor kinderopvang had betaald, waardoor geen recht op toeslag bestond. Appellant erkende dit, maar verwees naar persoonlijke omstandigheden om een uitzondering te rechtvaardigen, hetgeen door de Raad van State werd afgewezen op grond van vaste rechtspraak.
Voor 2014 was de toeslag tijdens het jaar stopgezet, maar na bezwaar vastgesteld op een bedrag van €7.451,00. Appellant betwistte dit bedrag niet, maar vroeg erkenning voor vermeende fouten van de Belastingdienst. De Raad van State oordeelde dat deze handelwijze geen grond vormt voor een hoger bedrag.
Appellant voerde tevens een beroep op het IVRK, artikel 18, over het recht op kinderopvang, maar dit werd verworpen omdat de toeslag een financiële bijdrage is aan de ouder en het besluit niet jegens het kind was genomen.
Tot slot verzocht appellant om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad van State stelde dat de totale procedure nog geen vier jaar had geduurd en dat een voortvarende behandeling in hoger beroep een eerdere vertraging kan compenseren, waardoor het verzoek werd afgewezen.
De Raad van State bevestigde het bestreden vonnis en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de stopzetting van de kinderopvangtoeslag en wijst het verzoek om schadevergoeding af.