ECLI:NL:RVS:2018:1085
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling ondanks langdurig verblijf
De staatssecretaris heeft op 17 mei 2016 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen en een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de staatssecretaris hoger beroep instelde.
De vreemdeling, geboren in 1955, verbleef sinds 1984 grotendeels in Europa en sinds 1999 in Nederland. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onterecht een te hoge maatstaf hanteerde omtrent de banden van de vreemdeling met Nederland en dat zij sterke banden had opgebouwd. De staatssecretaris voerde aan dat langdurig verblijf alleen niet voldoende is en dat de vreemdeling als volwassene naar Nederland kwam, waardoor zij nog banden met haar land van herkomst heeft.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbeterde motivering. De staatssecretaris heeft terecht het belang van het economisch welzijn en het restrictieve toelatingsbeleid meegewogen. De vreemdeling verkeert niet in een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in het arrest Butt, en haar gezondheidsproblemen en sociale banden in Nederland leiden niet tot een andere belangenafweging. Het beroep tegen het besluit van 18 mei 2017 wordt ongegrond verklaard.
De Afdeling oordeelt ook dat het opgelegde inreisverbod niet onrechtmatig is, aangezien de vreemdeling haar dochter in Duitsland kan bezoeken en contact kan onderhouden via moderne communicatiemiddelen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning en het inreisverbod wordt bevestigd.