ECLI:NL:RVS:2017:2120
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling belangenafweging bij weigering verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, welke door de staatssecretaris werd afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit deels en beval de staatssecretaris een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, vanwege onvoldoende motivering omtrent artikel 8 EVRM Pro.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat de rechtbank ten onrechte haar eigen belangenafweging had gemaakt in plaats van terughoudend te toetsen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde de staatssecretaris in het gelijk en vernietigde het vonnis van de rechtbank.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris alle relevante belangen, waaronder de lange duur van de procedure, de banden van de vreemdeling met Nederland en het land van herkomst, en het restrictieve toelatingsbeleid, adequaat had betrokken in zijn belangenafweging. De weigering van de verblijfsvergunning was daarom niet onrechtmatig.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond.