ECLI:NL:RVS:2018:1437
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen legesheffing naturalisatiebesluit
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam die het bezwaar van een vreemdeling tegen legesheffing bij naturalisatie ontvankelijk had verklaard en het besluit van de staatssecretaris had vernietigd.
De vreemdeling ontving een brief waarin werd meegedeeld dat hij wordt voorgedragen voor naturalisatie bij de Koning. Hij maakte bezwaar tegen de leges die hij moest betalen, stellende dat deze onevenredig hoog waren. De staatssecretaris verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, maar een informatieve mededeling.
De rechtbank oordeelde echter dat de brief wel een besluit is en dat bezwaar mogelijk is, verwijzend naar een eerdere uitspraak in het vreemdelingenrecht. De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat het naturalisatierecht een specifieke regeling kent voor bezwaar tegen leges, waarbij bezwaar tijdig bij de indiening van het verzoek moet worden gemaakt, en dat de brief geen besluit is. De Afdeling bestuursrechtspraak volgt de staatssecretaris en vernietigt de eerdere uitspraken, verklaart het beroep ongegrond en wijst een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af.
De Afdeling benadrukt dat de brief geen rechtsgevolg heeft omtrent legesheffing en dat de vreemdeling zijn bezwaren eerder had moeten kenbaar maken. De procedure wordt daarmee afgesloten zonder toekenning van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraken worden vernietigd.