ECLI:NL:RVS:2018:1573
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.W.M. Bijloos
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks beroep op voorrangsbeginsel EU
De zaak betreft het hoger beroep van een bedrijf tegen een boete opgelegd door de minister van Sociale Zaken wegens het in dienst hebben van een Bulgaarse werknemer zonder de vereiste tewerkstellingsvergunning en het niet naleven van administratieve verplichtingen. De rechtbank had de boete verlaagd tot € 8.250 en de ministerlijke beslissing herroepen.
In hoger beroep betoogde het bedrijf dat het voorrangsbeginsel uit het Bulgaarse toetredingsverdrag tot de EU van toepassing is, waardoor de boete onterecht zou zijn. De Raad van State overwoog uitgebreid dat dit beginsel niet van toepassing is omdat werkgevers van Bulgaarse werknemers een tewerkstellingsvergunning moeten hebben, mede gelet op eerdere uitspraken over vergelijkbare verdragen en het Nederlands-Zwitsers Tractaat.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat het Tractaat geen aanvullende rechten verleent en dat het voorrangsbeginsel niet tot een vrijstelling leidt. Ook is geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie nodig. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van € 8.250 conform de uitspraak van de rechtbank bevestigd.