Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 3 augustus 2017 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Hoe ver reikt de voorrang van nieuwe Unieburgers op derdelanders”van mr. E.T.P. Scheers en van haar gemachtigde (JV 2016, 4). Volgens eiseres zijn er twee manieren voor het HvJEU om naar de problematiek te kijken, “de iure” of “de facto”. De iure betekent volgens eiseres in dit opzicht dat het HvJEU een inhoudelijk oordeel zou geven over de positie van Japanners in Nederland in relatie tot de positie van de Zwitsers in de periode tussen 2001 en 1 januari 2017. Eiseres betwist in dit kader de overweging van de ABRvS dat het Tractaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Zwitserland (Stb. 1878, 137, het Nederlands-Zwitsers Tractaat) minder gunstig zou zijn op het punt van het vrij verkeer dan de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, over het vrij verkeer van personen (Trb. 2000, 16, de Overeenkomst). De facto betekent volgens eiseres dat het HvJEU zal moeten kijken naar de feitelijke situatie, namelijk dat de Nederlandse lidstaat op 24 december 2014 Japanners vrije toegang heeft verleend tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Dit zou betekenen dat nieuwe EU-onderdanen in ieder geval van 24 december 2014 tot 1 januari 2017 vrij moeten zijn (geweest) op de Nederlandse arbeidsmarkt en dus geen tewerkstellingsvergunning nodig hadden. Dit moet dan volgens eiseres ook direct gevolgen hebben voor boetes opgelegd in die periode en die nog niet onherroepelijk waren. Verder wijst eiseres op het lex-mitior beginsel.
“Hierbij moet echter worden aangetekend dat als „onderdaan van een derde land” niet kunnen worden beschouwd personen die op grond van tussen de Unie en derde landen gesloten internationale overeenkomsten recht hebben op dezelfde behandeling als burgers van de Unie, zoals onderdanen van de Europese Economische Ruimte (EER). Een andere uitlegging zou namelijk de regeling die volgens het protocol gedurende de overgangsperiode geldt, buitenspel zetten en het gevaar inhouden dat punt 2, eerste alinea, van bijlage VI, punt 1, bij het protocol, waarin is bepaald dat gedurende die periode nationale of uit bilaterale overeenkomsten voortvloeiende maatregelen zullen worden toegepast, een groot deel van zijn nuttige werking werd ontnomen.”De ABRvS heeft in de uitspraak van 11 november 2016 verder overwogen dat de omstandigheid dat de staatssecretaris zich voorheen op het standpunt stelde dat de Overeenkomst niet in de weg staat aan een beroep door Zwitserse onderdanen op het Nederlands-Zwitsers Tractaat en hij daarmee samenhangend beleid voerde, de conclusie dat de Overeenkomst prevaleert niet anders maakt. De ABRvS voegt hieraan toe dat een Japanse onderdaan zich voor de toepassing van de meestbegunstigingsclausule evenmin op de Overeenkomst kan beroepen. Hierbij heeft de ABRvS in aanmerking genomen dat artikel 17 van Pro het Nederlands-Japans Verdrag gezien het tijdstip van totstandkoming van dit Verdrag alleen op verdragen tussen de verdragsluitende partijen en andere staten van toepassing kan zijn en niet op verdragen met regionale gemeenschappen zoals de Europese Unie, die toen nog niet bestonden. De rechtbank vindt daarbij van belang dat afspraken van dergelijke regionale gemeenschappen van hogere orde zijn en een eigen besluitvormingsmechanisme kennen.
Beslissing
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;