ECLI:NL:RVS:2018:2615
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf en toewijzing beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 14 juli 2016 een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure handhaafde de staatssecretaris dit besluit bij besluit van 24 april 2017. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 12 oktober 2017 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling verwijst naar eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat de staatssecretaris een nieuwe vaste gedragslijn volgt bij de beoordeling van nareisaanvragen en dat kerkelijke huwelijksaktes niet zonder meer als bewijs van een rechtsgeldig huwelijk worden beschouwd. De Afdeling constateert dat de staatssecretaris in het bestreden besluit niet heeft gemotiveerd dat hij deze nieuwe gedragslijn heeft toegepast, met name ten aanzien van het betrekken van onofficiële documenten bij de beoordeling van identiteit en familierelaties.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris het besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd en verklaart het hoger beroep kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep tegen het besluit wordt alsnog gegrond verklaard. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd.