ECLI:NL:RVS:2018:2892
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A.B.M. Hent
- D.A. Verburg
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake vreemdelingenbewaring na bezwaar tegen uitreiking maatregel
De vreemdeling werd op 14 juli 2018 in vreemdelingenbewaring gesteld. Hij stelde beroep in tegen deze bewaring en voerde aan dat hem geen ondertekende maatregel was uitgereikt, omdat in het dossier van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) alleen een digitaal ondertekend exemplaar aanwezig was dat later was gedateerd dan de inbewaringstelling.
De rechtbank oordeelde echter dat de vreemdeling wel degelijk een exemplaar met een fysieke handtekening had ontvangen, zoals hij zelf had ingebracht bij het instellen van het beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dit oordeel en stelde vast dat de maatregel correct was uitgereikt en in werking was getreden.
De Afdeling benadrukte dat de staatssecretaris verplicht is om alle relevante stukken, waaronder het fysiek ondertekende exemplaar, in het dossier op te nemen. Het ontbreken daarvan in het IND-dossier betekent niet dat de maatregel niet rechtsgeldig is, aangezien het door de vreemdeling overgelegde exemplaar als bewijs geldt.
De overige bezwaren van de vreemdeling werden niet ontvankelijk verklaard omdat zij geen vragen opriepen die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank dat de vreemdeling terecht in vreemdelingenbewaring is gesteld en dat de maatregel met fysieke handtekening aan hem is uitgereikt.