ECLI:NL:RVS:2018:296
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- B.P. Vermeulen
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vaststelling evenredige boete voor overtreding Wet arbeid vreemdelingen door onvoldoende loonbetaling aan kennismigranten
De minister legde aan [wederpartij] een boete van €40.000 op wegens het niet voldoen aan het maandlooncriterium voor vijf kennismigranten, wat werd gematigd tot €30.000. De rechtbank Amsterdam vernietigde dit besluit en stelde de boete vast op €10.000, met als motivering dat de overtreding [wederpartij] slechts in verminderde mate te verwijten viel.
De minister ging in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat het jaarsalaris voldeed aan het inkomenscriterium en dat de matiging van de boete met 75% onterecht was. De Raad benadrukte dat het de verantwoordelijkheid van de werkgever is om wijzigingen in de wetgeving te volgen en dat het missen van het maandlooncriterium voor eigen risico komt.
Verder werd geoordeeld dat de boete terecht per overtreding is opgelegd, aangezien voor elke kennismigrant een tewerkstellingsvergunning vereist is. Het beroep van [wederpartij] dat de boete onevenredig is wegens financiële draagkracht werd verworpen, omdat de minister aannemelijk maakte dat zij voldoende draagkracht heeft.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van [wederpartij] ongegrond, waarmee de boete van €30.000 gehandhaafd blijft.
Uitkomst: De Raad van State handhaaft de boete van €30.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen en verklaart het beroep van [wederpartij] ongegrond.