ECLI:NL:RVS:2018:3278
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke handhaving wegens illegale verbouwing en gebruik bijgebouw als woning te Breda
Het college van burgemeester en wethouders van Breda legde aan [appellante] een last onder dwangsom op om binnen vier maanden twee extra woningen, waaronder een in een bijgebouw, te verwijderen en het gebruik als zelfstandige woning te staken. Dit volgde op een verzoek van omwonenden en een constatering van strijd met het bestemmingsplan en de Wabo.
De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verbouwing zonder vergunning was uitgevoerd en dat [appellante] geen geslaagd beroep kon doen op overgangsrecht of het vertrouwensbeginsel. Het college handhaafde de dwangsom en vorderde deze in nadat niet aan de last was voldaan.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de uitspraak van de rechtbank en het invorderingsbesluit. De Afdeling oordeelde dat het college terecht handhavend optrad omdat de verbouwing zonder vergunning was uitgevoerd en dat het gebruik van het bijgebouw als woning niet onder het overgangsrecht valt. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde wegens gebrek aan concrete en ondubbelzinnige toezeggingen. De invordering van de dwangsom was gerechtvaardigd ondanks het late vertrek van de huurder, omdat dit voor risico van [appellante] kwam.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de last onder dwangsom en invordering daarvan zijn bevestigd.