ECLI:NL:RVS:2018:3378
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing kinderopvangtoeslag wegens niet aantonen betaling kosten 2012
Appellante maakte in 2012 gebruik van kinderopvang voor haar drie kinderen bij een kinderdagverblijf waarvan zij mede-eigenaar is en ontving voorschotten kinderopvangtoeslag. De Belastingdienst stelde de toeslag definitief vast op nihil, herzag dit later naar €11.232 en vervolgens naar €13.248. Appellante betwistte dit en voerde aan dat zij de kosten volledig had voldaan, contant en via bankbetaling.
De rechtbank oordeelde dat appellante niet had aangetoond dat zij de kosten daadwerkelijk en tijdig had betaald. Contante betalingen werden niet onderbouwd met kwitanties en bankafschriften toonden geen overeenstemming met facturen. De girale betaling van €12.000 in 2014 kon niet aan 2012 worden toegerekend, mede omdat het bedrag ook betrekking had op 2013 en de betaling niet tijdig was.
De Raad van State bevestigt dat appellante niet heeft aangetoond de eigen bijdrage van €6.661,91 te hebben voldaan en dat daarmee geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat. Wel blijft de vaststelling van €13.248 in stand vanwege het verbod op reformatio in peius. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat appellante geen recht heeft op kinderopvangtoeslag 2012 wegens niet aantonen betaling kosten.