ECLI:NL:RVS:2018:3764
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Beoordeling legesbedrag erkenning als referent voor kennismigranten niet onrechtmatig
De zaak betreft het hoger beroep van [appellante] en vreemdelingen tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over de hoogte van het legesbedrag voor de erkenning als referent voor het verblijfsdoel arbeid. De staatssecretaris had een aanvraag tot erkenning als referent ingewilligd, maar het bezwaar tegen het geheven legesbedrag van €5.116 werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen niet-ontvankelijk en vernietigde het besluit over het legesbedrag vanwege onvoldoende inzicht in de relatie tussen kosten en leges. De Raad van State overweegt dat de erkenning als referent geen onderdeel is van de gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (gvva) en dat de richtlijn 2011/98/EU niet in strijd is met de Nederlandse regeling.
De Raad stelt vast dat het legesbedrag gebaseerd is op de feitelijke diensten die de staatssecretaris verricht, waaronder diverse controles en beoordelingen, en dat het bedrag een eenmalige investering betreft die kostenbesparend werkt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het besluit van 12 april 2018, waarin het bezwaar opnieuw ongegrond werd verklaard, wordt bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het legesbedrag van €5.116 voor erkenning als referent wordt bevestigd als niet onrechtmatig.