ECLI:NL:RVS:2018:4073
Raad van State
- Hoger beroep
- P.B.M.J. van der Beek-Gillessen
- G.M.H. Hoogvliet
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit nihil vaststelling kinderopvangtoeslag 2015 wegens onjuiste toepassing arbeidsbegrip
Appellante had kinderopvangtoeslag over 2015 aangevraagd, maar de Belastingdienst stelde deze definitief vast op nihil omdat de partner van appellante geen erkende arbeid had verricht. De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat haar partner, die tot april 2015 promotieonderzoek deed aan de TU Delft en daarvoor een beurs ontving, wel degelijk arbeid verrichtte in de zin van de Wet kinderopvangtoeslag (Wkkp). De Raad van State oordeelde dat de werkzaamheden van de promovendus in de eerste vier maanden van 2015 als betaalde arbeid moeten worden aangemerkt, conform eerdere jurisprudentie.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de Belastingdienst en verklaarde het beroep gegrond. Voor de periode van mei tot en met december 2015 was er geen sprake van arbeid, zodat voor die periode geen recht op toeslag bestond. De Belastingdienst moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met deze overwegingen.
Daarnaast werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van een juiste interpretatie van het begrip arbeid binnen de Wkkp en de noodzaak van een zorgvuldige beoordeling van de feitelijke omstandigheden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard voor de periode januari tot en met april 2015, het besluit van de Belastingdienst wordt vernietigd en een nieuw besluit moet worden genomen.