ECLI:NL:RVS:2016:2703
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C. Kranenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit Belastingdienst over kinderopvangtoeslag wegens onvoldoende bewijs betaling kosten
De appellant maakte in 2012 en 2013 gebruik van kinderopvang voor zijn twee kinderen bij vier verschillende kindercentra. De Belastingdienst stelde het voorschot kinderopvangtoeslag over deze jaren op nihil en verklaarde bezwaren ongegrond, omdat niet was aangetoond dat alle kosten waren betaald en enkele overeenkomsten niet aan wettelijke eisen voldeden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn partner wel arbeid had verricht in 2012, dat de overeenkomsten wel aan de eisen voldeden en dat hij de kosten van kinderopvang bij twee van de vier centra volledig had voldaan. De Afdeling oordeelde dat de partner arbeid had verricht, dat de overeenkomsten niet langer werden betwist en dat appellant de kosten bij twee kindercentra had aangetoond en voldaan. Voor de andere twee centra was onvoldoende bewijs van betaling.
De Afdeling vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de Belastingdienst een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd de Belastingdienst veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van de Belastingdienst wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag.