ECLI:NL:RVS:2018:680
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- Th.C. van Sloten
- B.J. Schueler
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake geslachtsnaamswijziging met adellijke titel en predicaat Koninklijke Hoogheid
Bij besluit van 14 september 2015 heeft de minister de aanvraag van de zoon van appellant A ingewilligd tot wijziging van zijn geslachtsnaam in die van appellant A, voorafgegaan door de adellijke titel prins en het predicaat Koninklijke Hoogheid. Appellanten maakten bezwaar tegen dit besluit, dat door de minister en de rechtbank grotendeels ongegrond werd verklaard. Appellant B stelde dat het besluit de belangen van het Koninklijk Huis raakt, met name vanwege de traditie dat buiten echt geboren kinderen deze titel en het predicaat niet mogen voeren.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellant B als entiteit herkenbaar is in het rechtsverkeer en belanghebbende is bij het besluit, waardoor het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk werd verklaard. De Afdeling bevestigt dat artikel 1:5, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek en artikel 3 van Pro de Wet op de adeldom van toepassing zijn op de situatie van de zoon van appellant A, ook al is het vaderschap gerechtelijk vastgesteld.
De Afdeling verwerpt de stellingen dat toepassing van artikel 3 van Pro de Wet op de adeldom in strijd zou zijn met het evenredigheidsbeginsel, internationale verdragen zoals het Tractaet van 1714, of het EVRM. De Afdeling vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het bezwaar van appellant B niet-ontvankelijk verklaarde en verklaart het beroep van appellant B ongegrond. Het beroep van appellant A wordt ongegrond verklaard en de bestreden besluiten blijven in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant B wordt gegrond verklaard en dat van appellant A ongegrond; het besluit tot geslachtsnaamswijziging met adellijke titel en predicaat blijft in stand.