ECLI:NL:RVS:2018:820
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering omgevingsvergunning voor omzetting agrarische woning naar plattelandswoning wegens geurbelasting
Het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad heeft de aanvraag van appellant voor een omgevingsvergunning geweigerd om zijn agrarische woning aan te wijzen als plattelandswoning. De weigering is gebaseerd op het ontbreken van een verantwoord woon- en leefklimaat, vanwege een voorgrondgeurbelasting van 31,6 OuE/m³ veroorzaakt door een nabijgelegen veehouderij.
Appellant betoogde dat het woon- en leefklimaat wel verantwoord is en dat het college een te strenge toets hanteert, verwijzend naar eerdere jurisprudentie en gemeentelijke notities. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat het college beleidsruimte heeft en dat het niet gebonden is aan de grenswaarde van 35 OuE/m³ uit de Wet geurhinder en veehouderij, maar een eigen afweging mag maken.
De Afdeling stelt vast dat de door het college gehanteerde grenswaarde van 10 OuE/m³ voor de voorgrondbelasting ruimschoots wordt overschreden en dat het college terecht heeft geoordeeld dat een verantwoord woon- en leefklimaat ontbreekt. Ook het beroep op eerdere soepelere besluiten leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de omgevingsvergunning bevestigd wegens overschrijding geurbelasting en ontbreken verantwoord woon- en leefklimaat.