Uitspraak
Datum uitspraak: 3 april 2019
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Raad van State
Appellant ontving in 2010 voorschotten voor kinderopvang via een gastouderbureau, maar de Belastingdienst stelde de toeslag definitief vast op nihil omdat niet was aangetoond dat alle kosten waren betaald en het gastouderbureau vanaf november 2010 niet meer geregistreerd was.
De rechtbank oordeelde dat appellant geen recht had op toeslag, mede omdat de kosten volgens de jaaropgave hoger waren dan door appellant betaald en de betaling over november en december niet aan de gastouder maar aan het bureau was gedaan.
Appellant stelde dat de jaaropgave onjuist was omdat een korting op bureaukosten niet was verwerkt, en dat hij aantoonbaar meer had betaald dan vereist. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant voldoende had aangetoond de kosten te hebben voldaan, vernietigde het besluit en bepaalde dat de Belastingdienst een nieuw besluit moet nemen.
De Afdeling veroordeelde de Belastingdienst tevens tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht. Het geschil spitste zich toe op de vraag of appellant de volledige kosten had betaald, waarbij de Afdeling appellant in het gelijk stelde.
Uitkomst: Het besluit van de Belastingdienst om de kinderopvangtoeslag 2010 op nihil vast te stellen wordt vernietigd en het beroep van appellant wordt gegrond verklaard.