ECLI:NL:RVS:2019:1318
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.J. van Eck
- A.W.M. Bijloos
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging verblijfsrechtelijke feiten onterecht
Appellante kreeg in 2005 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf bij partner. De minister trok in 2016 haar Nederlanderschap in omdat zij niet had gemeld dat de relatie sinds 2009 was verbroken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond en vernietigde eerdere besluiten omdat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat de intrekking niet onevenredig was.
De staatssecretaris stelde dat het belang van de Staat bij correcte toekenning van het Nederlanderschap zwaarder weegt dan het belang van appellante, en dat haar verblijfsvergunning met terugwerkende kracht was ingetrokken. Appellante betoogde dat zij vanaf 2008 in aanmerking kwam voor een verblijfsvergunning onder de beperking voortgezet verblijf, en dat de staatssecretaris dit niet had onderzocht.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris de belangen niet deugdelijk had afgewogen en de mogelijke verblijfsrechtelijke aanspraken niet had onderzocht. Daarom werd het besluit van 28 juni 2018 vernietigd en het besluit van 18 januari 2016 herroepen. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Hiermee werd het Nederlanderschap van appellante hersteld.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt vernietigd en herroepen, met vergoeding van proceskosten.