ECLI:NL:RVS:2018:1298
Raad van State
- Hoger beroep
- A.W.M. Bijloos
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging feitelijke relatiebeëindiging niet deugdelijk gemotiveerd
De minister van Veiligheid en Justitie trok het Nederlanderschap van appellante in omdat zij niet had gemeld dat haar relatie met haar partner sinds 2009 was verbroken, wat relevant was voor haar verblijfsvergunning en naturalisatie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar de Raad van State oordeelt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de intrekking niet onevenredig is, mede omdat niet is onderzocht of appellante recht had op een andere verblijfsvergunning na de relatiebreuk.
Appellante stelde dat er geen sprake was van opzet of bedrog, en dat de gevolgen van intrekking van het Nederlanderschap en het daarmee samenhangende verlies van EU-rechten zwaarwegend zijn. De Raad van State bevestigt dat de intrekking een nationale bevoegdheid is en dat verzwijging van relevante feiten voldoende is voor intrekking, maar benadrukt dat de belangenafweging en motivering over de proportionaliteit ontbraken.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 11 augustus 2016, en beveelt dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van de motiveringsvereisten en de belangenafweging. Tevens worden proceskosten aan appellante toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en belangenafweging.