ECLI:NL:RVS:2019:1421
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Helder
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor kappen esdoorn ondanks mede-eigendom appellant
Het college van burgemeester en wethouders van Hardenberg verleende een omgevingsvergunning voor het kappen van een esdoorn en een eik op een perceel te Hardenberg. Appellant stelde dat hij mede-eigenaar was van de esdoorn omdat deze deels over zijn perceel groeide, en dat de vergunning daarom niet had mogen worden verleend zonder zijn toestemming.
De rechtbank oordeelde dat er geen privaatrechtelijke belemmering bestond en dat het college zich op redelijke gronden op het standpunt kon stellen dat de vergunning kon worden verleend, mede vanwege de opgelegde herplantplicht. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de aanvraag niet door de juiste belanghebbende was gedaan en dat de toetsing aan beleidsregels onjuist was.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde vast dat appellant slechts een klein deel van de boom mede-eigenaar was en dat dit niet aannemelijk maakte dat het kappen niet kon worden verwezenlijkt. Ook was de toetsing aan de beleidsregels correct uitgevoerd, waarbij het college de stamomtrek op de juiste hoogte had gemeten en de herplantplicht als compensatie had opgelegd.
Verder was geen sprake van schending van de bezwaarprocedure en waren de gemaakte kosten voor kadastraal onderzoek niet onnodig. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de vergunning voor het kappen van de esdoorn is bevestigd.